Klimaatverandering-debat

Het klimaat: een oververhit debat

in Actueel/Maatschappij/Media by

In Bernie strijden toch twee tegenpolen over dit gevoelige onderwerp. Om te beginnen Pier Vellinga, een van de bekendste klimaatwetenschappers van Nederland en voorzitter van het bestuur van duurzaamheidsorganisatie Urgenda. Tegenover hem staat econoom Richard Tol, die onder meer werkzaam is in Sussex. Hij was lid van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de Verenigde Naties, maar verliet dat omdat hij de conclusies te alarmistisch vond.

Door: Addie Schulte

Hoe is het gesteld met de klimaatverandering?
Richard Tol: ‘Het klimaat verandert langzaam maar zeker.’
Pier Vellinga: ‘Dat “langzaam” wil ik graag nuanceren. Het regent in Nederland 27 procent meer dan 100 jaar geleden. De jaargemiddelde temperatuur in Nederland was destijds 8,9 graden Celsius, nu 10,6 graden. Misschien krijgen we nog één of twee keer een Elfstedentocht en daarna nooit meer. Het zee-ijs van de Noordpool is in minder dan 50 jaar met 70 procent verminderd. Skigebieden en gletsjers worden elk jaar kleiner. Ik noem dit een snelle klimaatverandering, veel en veel sneller dan ooit sinds het begin van de beschaving, ongeveer 8000 jaar geleden.’

Hoe erg zijn de gevolgen in de toekomst?
Tol: ‘De gevolgen van klimaatverandering zijn overwegend negatief, maar beperkt. Een eeuw klimaatverandering is minder erg dan tien jaar zonder economische groei. Dat doet pijn, maar valt in het niet in vergelijking met de gevolgen van een dwaze monetaire unie of een burgeroorlog. De gevolgen van klimaatverandering zijn veel kleiner dan de gevolgen van luchtverontreiniging. Arme landen zijn wel erg kwetsbaar, maar dat komt voornamelijk door armoede, en niet door klimaatverandering. Economische groei biedt uitkomst.’
Vellinga: ‘Wat zijn dat voor vergelijkingen? Een burgeroorlog gaat voorbij en een economische crisis ook. Klimaatverandering blijft zeker duizend jaar doorgaan. De leiders van ruim 190 landen hebben in 2015 in Parijs afgesproken de uitstoot van broeikasgassen terug te brengen, zodat de totale wereldwijde opwarming beperkt blijft tot 1,5 à 2 graden Celsius. Maar het ziet er nog niet naar uit dat dit doel wordt bereikt. De consequentie is dat de zeespiegel sneller gaat stijgen: ruim 1 meter deze eeuw en nog vele meters in de eeuwen daarna. Het aantal klimaatvluchtelingen zal sterk toenemen.’
Tol: ‘Klimaatvluchtelingen zijn een mooie illustratie van het verband tussen klimaatverandering en armoede. Mensen verhuizen niet omdat hun land onder zeeniveau ligt, maar omdat de overheid niet in staat is om dijken te bouwen. Kustbescherming is altijd een goedkopere, snellere en zekerder manier om overstromingsrisico’s te beheersen dan uitstootbeperking.’

Hoe moeilijk is het om klimaatverandering tegen te gaan?
Vellinga: ‘Klimaatverandering tegengaan zal niet gemakkelijk zijn. Maar de toename van de menselijke invloed op het klimaat kunnen en moeten we zeker beperken.’
Tol: ‘Klimaatverandering kan gelukkig worden gestopt zonder al te grote moeite, vermits beleidsmakers ophouden met het bedenken van regeltjes en subsidies, en klimaatbeleid beperken tot een koolstofbelasting.’
Vellinga: ‘Vanuit technisch-economisch oogpunt is het goed mogelijk klimaatverandering te stoppen. Maar het vraagt een enorme transitie van het energiesysteem en het landbouw- en voedselsysteem. De miljard mensen die in deze sectoren werken zullen van werk moeten veranderen. De transitie vraagt grote investeringen: ongeveer 2 procent van het bruto nationaal product per jaar, en dat twintig jaar lang. Die transitie is aantrekkelijk omdat ook de lucht dan veel schoner wordt en het landbouwsysteem veel duurzamer. Maar het kost politiek en maatschappelijk heel veel moeite.’

Wat kan Nederland het beste doen in verband met klimaatverandering?
Tol: ‘De Nederlandse uitstoot is verwaarloosbaar. Nederland heeft wel een leidende rol in het ontwikkelen van nieuwe methoden voor chemie, transport en landbouw. Als Nederland geld steekt in onderzoek naar milieuvriendelijke en economisch rendabele productiewijzen, volgt de rest van de wereld vanzelf.’
Vellinga: ‘Ja, de Nederlandse uitstoot is klein in vergelijking met de wereld als totaal, maar niet te verwaarlozen. Nederland loopt per hoofd van de bevolking mee in de topgroep van de wereld. Als we ook de historische emissie meenemen, dan zijn wij al ver over ons quotum. In Europa loopt Nederland achter. We kunnen veel meer investeren in de opwekking van windenergie op de Noordzee en veel meer zonnepanelen plaatsen, investeren in fabrieken die waterstof maken, meer elektrische auto’s op de weg brengen en onze huizen en kantoren uitrusten met duurzame energie-installaties. Consumenten kunnen minder vlees eten. We zien nu al dat bedrijven die de laatste tien jaar zijn overgeschakeld naar duurzaamheid harder groeien, meer winst genereren en meer werkgelegenheid creëren dan de ouderwetse “fossiele” bedrijven.’
Tol: ‘Het is een misverstand om te denken dat meer banen in de energiesector goed zou zijn. Elektriciteit opgewekt met gas wordt voor dezelfde prijs verkocht als stroom uit windkracht. Als je meer mensen nodig hebt om elektriciteit te genereren met wind, dan verdienen die dus minder dan de mensen die stroom maken van gas. Of windwerk is slecht betaald, of windstroom is duur. Duurdere energie vertraagt de economische groei aanzienlijk. De negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid in de dienstensector zijn veel groter dan de banen die geschapen worden in de hernieuwbare energie.’