Wie heeft het in Den Haag écht voor het zeggen?

in Feature by

In verkiezingstijd knokken partijen om aan de macht te komen. Daar zijn ze immers voor opgericht en met ministers is de kans om de eigen ideeën te verwezenlijken het grootst. De regeringsmacht geeft ook de kans belangrijke ambten te vergeven, het beleid te sturen, en die macht geeft aanzien, aandacht en status. Een heel department ambtenaren staat ter beschikking, een dienstauto met chauffeur. Je zou het bijna biologisch kunnen verklaren: wie de macht heeft, heeft de meeste kans om te overleven. Maar wie regeert, betaalt ook de prijs.

Door: Douwe Truijens
Illustraties: Ellen Hooghoudt

Stay Right!

5x Bernie voor maar € 34,95
Klik HIER voor een abonnement of
bel  
0900 – 226 52 63

De kiezer straft met ijzeren regelmaat regerende partijen af bij de verkiezingen. Al direct toen de nieuwe coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie aantrad, zakten de regeringspartijen weg in de peilingen. Dat is een vertrouwd beeld: wie regeert moet betalen, in de vorm van kritiek in de media, boze reacties van burgers, zetelverlies in de peilingen en vaak genoeg ook in de verkiezingen. Bij de Tweede Kamerverkiezingen sinds 2002 verloren de regeringspartijen netto gemiddeld 22,5 zetels. Uitschieters waren er in 2002 toen PvdA, VVD en D66 samen 43 zetels moesten ruimen en in 2017 toen de twee partijen van Rutte II samen 37 Kamerleden kwijtraakten. De prijs van de macht lijkt te stijgen (zie kader ‘De kosten van het Kabinet’).  

Politicologen noemen dit de ‘cost of ruling’. Dit verschijnsel is op zich niet onlogisch. Wie bestuurt moet keuzes maken en bij een deel van de achterban kunnen die slecht vallen. De oppositie kan zonder lastige compromissen te hoeven verkopen zich als aantrekkelijke kandidaat opstellen.

Aftelsom

Tom Louwerse, docent politicologie aan de Universiteit Leiden en samensteller van de Peilingwijzer, ziet het verschijnsel in kracht toenemen. ‘Onderzoek wijst uit dat in het verleden partijen minder populair werden in het begin van de regeerperiode, maar na verloop van tijd zwakte dat effect af. Die rebound lijkt zwakker, partijen weten zich minder te herstellen.’

Er is ook veel te kiezen. Louwerse: ‘Kiezers zijn meer open gaan staan voor het stemmen op diverse partijen. Heel veel kiezers bekijken van verkiezing tot verkiezing wat ze stemmen. Rechtse kiezers kiezen CDA of VVD, of PVV als migratie als belangrijk onderwerp speelt. in de jaren tachtig verdeelden de drie grootste partijen negentig procent van de stemmen. Dat is veel minder geworden.’ In andere landen speelt dat effect ook, al wordt het wel gedempt door andere kiesstelsels. In de Duitse Bondsdag zitten nu zes partijen, dat waren er ooit drie.

Partijen houden er ook rekening mee dat ze kunnen verliezen. ‘Uiteraard betekent regeren ook pijn lijden. Daar weten wij ook alles van. Je krijgt een hoop over je heen omdat je bepaalde dingen niet kunt waarmaken,’ zei VVD-kopstuk Halbe Zijlstra in De Telegraaf.

Voormalig PvdA-leider Diederik Samsom was er onlangs in een interview openhartig over. Even ter herinnering: in 2012 had hij 38 zetels behaald in een spannende verkiezingsrace. Acht zetels had de PvdA volgens hem in de laatste 24 uur voor de verkiezingen gewonnen en die zou de partij sowieso kwijtraken.

Voormalig PvdA-leider Diederik Samsom was er onlangs in een interview openhartig over. Even ter herinnering: in 2012 had hij 38 zetels behaald in een spannende verkiezingsrace. Acht zetels had de PvdA volgens hem in de laatste 24 uur voor de verkiezingen gewonnen en die zou de partij sowieso kwijtraken. En dat was het begin van een aftelsom. ‘Meedoen in een kabinet betekent nog eens min vier zetels, in een kabinet met de VVD is nog vier zetels extra eraf. En regeren met de VVD in crisistijd betekent nog een keer min vier. Houd je over achttien zetels,’ zo berekende hij in het boek De neergang van de PvdA van NOS-journalist Wilco Boom. Dat is al een forse vermindering, die uiteindelijk nog negen zetels hoger werd.

De afrekening met de bestuurspartijen vindt niet alleen plaats in het stemhokje. Een deel van de burgers heeft weinig vertrouwen in de regering – welke dan ook. Zelfs niet als hun partijen erin zitten. Toen de Volkskrant een paar dagen nadat deze coalitie was gevormd ging kijken in Tubbergen, waar de vier regeringspartijen bij de laatste verkiezingen bijna driekwart van de stemmen haalden, was er vooral gemopper te horen: ‘Het is een samengeraapt zootje,’ ‘Ik vertrouw dit kabinet niet,’ en ‘Het is allemaal vestzak-broekzak,’ zo klonk het. Maar toch ook: ‘Nederlanders klagen wel, maar eigenlijk hebben we het goed.’

Dikke huid

Oppositie en media voeden dat wantrouwen soms in een wat gemakkelijk een-tweetje. In 2012 maakte Rutte dat mee na de presentatie van de regeringsplannen. Het voorstel dat mensen met een hoger inkomen meer zorgpremie zouden gaan betalen, zorgde voor een kleine orkaan aan negatieve publiciteit. De Telegraaf liep voorop in de campagne tegen Marx Rutte. CDA-Kamerlid Raymond Knops had dit koosnaampje voor de VVD-premier even tevoren bedacht. Aan het zorgplan zaten uiteraard voor- en tegens, maar de felheid waarmee journalisten de nadelen onder de aandacht brachten, wekte op zijn minst het idee van eigenbelang, zegt Kaj Leers, auteur van het boek Megafoonpolitiek. Hoe politieke partijen ons proberen te manipuleren. ‘Het frame was: zoveel gaat u betalen, terwijl dat maar een van de manieren was om ernaar te kijken.’

Toen er berichten kwamen dat hij naar de Raad van State zou gaan, zei hij: ‘U kletst uit uw nekharen,’ tegen de NOS. Een paar maanden later werd hij benoemd.  

Het verwijt dat de pers te negatief is, klonk vaak uit de monden van de gezagsdragers. Premier Jan Peter Balkenende ging echt pruilen bij negatieve verhalen, herinnert Volkskrant-columniste Sheila Sitalsing zich. ‘Hij had geen dikke huid.’ Minister Piet Hein Donner haalde regelmatig uit naar de pers, die het volgens hem bijna per definitie mis had. Toen er berichten kwamen dat hij naar de Raad van State zou gaan, zei hij: ‘U kletst uit uw nekharen,’ tegen de NOS. Een paar maanden later werd hij benoemd.  

Nu lijkt dat soort botte kritiek op de media verstomd. ‘Het klagen binnenskamers zal niet minder zijn. In het openbaar is het naar mijn gevoel minder geworden. Vroeger werd dat ook meer geaccepteerd. Bram Peper, destijds burgemeester van Rotterdam, zei over het Rotterdams Dagblad: “Oh, die rotkrant.” Nu zou hij daarvoor op Twitter afgemaakt worden, had hij zich bij Jinek moeten verantwoorden,’ zegt Sitalsing. Mediavaardigheid is nog meer een vereiste voor de succesvolle Binnenhofbewoner. Politici moeten grappen maken met Jaïr, serieus doen met Paul Witteman, meelevend zijn bij De Wereld Draait Door en scherp bij WNL. Iedere microfoon vraagt om een ander deuntje en wie niet op de juiste toonhoogte meezingt, kan opkrassen. Denk aan Ella Vogelaar, de minister die een keer niets wilde zeggen tegen de roze plopkap van Rutger Castricum en vervolgens kon vertrekken.  

Horse race

Rutte laat nooit blijken te balen van kritische berichtgeving, zegt Sitalsing, die een boek over hem schreef. ‘Hij had een heel slechte pers toen hij net leider van de VVD was. Hij werd wel honderd keer naar huis geschreven, maar hij klaagde nooit over de media Hij was altijd blijmoedig. Dat is een basishouding die ik weinig zie. Hij is ook goed in het knuffelen van de vijand. Hij geeft complimentjes, dat vinden journalisten natuurlijk toch wel leuk.’ Bij VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff ziet ze iets vergelijkbaars. ‘Hij blijft laconiek in het oog van de storm. Hij gaat niet in de aanval tegen de media. Die ontspannenheid helpt wel.’

Maar met zijn zeven jaar als premier hoeft Rutte nog steeds niet rekenen op de adoratie van het gehele Nederlandse volk. In een opiniepeiling van EenVandaag kreeg hij in oktober 2017 een 5,3. Nou ja, misschien valt dat wel mee. Met Ruttiaans optimisme is dat een 5,5 en dat is zoals bekend afgerond een voldoende.  

En misschien hebben de klagende politici toch een punt. Onderzoekers wijzen erop dat berichtgeving over de politiek negatiever is geworden, meer gericht op conflict en op de vraag wie er voor ligt in de horse race. Wie wordt de grootste, wie de grootste op links, op rechts? Journalisten berichten graag over de harde woorden die lijsttrekkers over elkaar spreken. Het ‘doe zelf lekker normaal, man’ van Rutte tegen Geert Wilders werd eindeloos herhaald.

Trouw schreef over vice-premier Kajsa Ollongren: ‘Ze heeft alles in zich om premier van Nederland te worden.’ En dat over een bestuurder die nog nooit aan een verkiezing heeft deelgenomen.

Sitalsing: ‘Als er bloed is, springen de media er allemaal bovenop. Zelfs voor ervaren politici kan dat een beangstigende gewaarwording zijn. Toen Jeanine Hennis, ooit toch een beetje de “golden girl”, moest aftreden als minister van Defensie, sprak ik een oud-politicus van het CDA. Hij had het over “die bloedhonden van de media”.’

Maar soms zijn het schoothondjes. Aantredende ministers krijgen vaak een goede pers. De Telegraaf heeft Rutte een aantal keer aangevallen, maar ook vaak een podium geboden. Trouw schreef over vice-premier Kajsa Ollongren: ‘Ze heeft alles in zich om premier van Nederland te worden.’ En dat over een bestuurder die nog nooit aan een verkiezing heeft deelgenomen.

PvdA’ers zeiden over Sitalsing en haar mede-columnist Bert Wagendorp dat zij het vorige kabinet overeind hadden gehouden. Dat vond ze ‘echt vrij kut om te horen’. Ze licht toe: ‘Je krijgt dan toch het idee dat je niet kritisch genoeg bent. Maar je hoeft niet alles slecht te vinden. En de PvdA was al blij als er in een stukje stond dat het “best begrijpelijk” was dat ze iets deden. Of dat ze toch hun best deden. Dat werd dan uitgeknipt.’

Verwachtingen

Partijen proberen de schade van het regeren te beperken door de verwachtingen van hun achterban te managen, zegt Leers. Hoe laten we onze acties landen bij onze kiezers? De PvdA-kiezers keken in de vorige regeerperiode uit naar wat hun partij in de zorg, sociale zaken en onderwijs zou doen. Maar de hoop op verbetering kwam niet uit. Juist de bewindslieden op deze terrein waren gedwongen soms onaangenaam beleid te verdedigen. ‘Martijn van Rijn moest na iedere lekkende luier in een verpleegtehuis naar de Kamer komen.’

De huidige coalitiepartijen pakken het ieder aan. ‘De VVD doet alsof het niet zo’n bijzonder kabinet is en tempert de verwachtingen. De ChristenUnie heeft een trouwe achterban en hoeft niet zoveel te doen. Het CDA blijft vooral rustig en zakelijk. D66 laat te veel zien dat sommige punten van het beleid niet haar eerste keuze zijn. D66-Kamerlid Kees Verhoeven is veel aan het twitteren en facebooken. Dat lijkt heel bang. Maar onderwerpen als de sleepwet of orgaandonatie raken mensen niet in hun dagelijks leven.’

Een andere manier om de schade te beperken of te vermijden is niet meedoen aan een coalitie. Volgens Louwerse is dat toch niet zo voor de hand liggend. ‘Meeregeren blijft voor partijen toch interessant. Maar als ze op de langere termijn een enorme prijs betalen, dat wil een partij ook niet. Dit maakt het voor partijen nog lastiger om een acceptabel compromis te bereiken in een formatie. De prijs van het regeren kan mogelijk mede verklaren waarom de Groenen in Duitsland en GroenLinks in Nederland niet meedoen. De vrees voor electoraal verlies kan het veel belangrijker maken om veel binnen te halen. Maar dat geldt ook voor andere partijen.’

Politici moeten hun verkiezingsprogramma als het ideale scenario promoten en daar ook voor de verkiezingen eerlijk over zijn. Een compromis moeten ze als compromis verdedigen.

Louwerse denkt dat het verschijnsel van het afrekenen riskante vormen kan krijgen: ‘Het is een enigszins zorgelijke ontwikkeling. Daar is misschien wel iets aan te doen. Politici moeten hun verkiezingsprogramma als het ideale scenario promoten en daar ook voor de verkiezingen eerlijk over zijn. Een compromis moeten ze als compromis verdedigen. Kiezers moeten zich realiseren dat partijen hun programma niet een-op-een kunnen uitvoeren zonder absolute meerderheid. Het is goed dat kiezers kritisch zijn en afrekenen. Maar ze moeten ook realistische verwachtingen houden. Als dit effect doorzet, kunnen partijen denken: we doen vier jaar wat we willen, het maakt toch niet uit.’